Veelgestelde vragen - Asbestnormen

NEN 5707+A1:2016 'Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond'

NTA 5727:2004 'Bodem - Monsterneming en analyse van asbest in waterbodem en baggerspecie'

NEN 5897+C1:2016 nl 'Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat' (NEN 5897:2015 is ingetrokken)

NEN 5898+C1:2016 nl 'Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouw- en sloopafval en granulaat'

Vragen en antwoorden

1) Welke normdocumenten moet ik gebruiken bij (water)bodemonderzoek naar asbest?
Bij het uitvoeren van (water)bodemonderzoek zijn de volgende normdocumenten aangewezen in de Regeling bodemkwaliteit, de Regeling uniforme saneringen, de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006, de Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer en de Productenregeling asbest: NEN 5707:2015 nl Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (voor bodem en grond met minder dan 50% bodemvreemd materiaal) NEN 5707:2015/C1:2016 nl NEN 5897:2015 nl Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat (voor onderzoek naar analyse van bodem met meer dan 50% bodemvreemd materiaal en puingranulaat) NEN 5897:2015/C1:2016 nl NTA 5727:2004 nl Bodem - Monsterneming en analyse van asbest in waterbodem en baggerspecie (onderzoek naar waterbodem en baggerspecie) NEN 5896:2003 nl Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie (voor analyse van asbestverdachte materialen) NEN 5898:2015 nl Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouw- en sloopafval en granulaat (voor analyse van grond, baggerspecie en puingranulaatmonsters) NEN 5898:2015/C1:2016 nl Voor de NEN 5707 en NEN 5897 geldt overigens dat het tot 1 september 2017 is toegestaan om de oude versies van de normdocumenten (NEN 5707:2003 en NEN 5897:2005) te gebruiken.
2) Waarom is er een verschil in monstergrootte tussen de NEN5707 en NEN5897 en hoeveel moet in het veld worden bemonsterd om 10 kg of 25 kg droge stof over te houden in het laboratorium?
Een laboratoriummonster moet groot genoeg zijn voor een betrouwbaar analyseresultaat dat getoetst kan worden aan grenswaarde(n). De monstergrootte wordt onder andere bepaald door het aantal en de grootte van asbesthoudende stukjes in de diverse korrelgrootte fracties van het bemonsterde materiaal. In tegenstelling tot de meeste verontreinigingen bestaat een verontreiniging met asbest vaak uit slechts enkele grotere stukken, wat betekent dat grote monsters noodzakelijk zijn voor een betrouwbaar resultaat. De uiteindelijke minimale monstergrootten in NEN 5707 en NEN 5897 zijn gebaseerd op de formules in NVN 7301 en NVN 7302, rekening houdend met de korrelgrootteverdeling van de asbesthoudende stukjes en de praktische hanteerbaarheid van de monsters. Bij puin(granulaat) is het aandeel aan grove korrelgroottefracties (4-8mm en 8-20mm) veel hoger dan bij bodem. Daarnaast wordt ook het asbestgehalte in puingranulaat in veel gevallen bepaald door stukjes in deze grove korrelgrootte fracties. Dit betekent dat er voor een betrouwbaar resultaat voor puingranulaat een groter monster is vereist dan voor bodem. In de oude NEN 5707 (2003) en NEN 5897 (2005) was geen goede afstemming tussen de monsterneming in het veld en de laboratoriumanalyse. De consequentie was dat er vaak te weinig monstermateriaal werd geleverd aan het laboratorium, omdat geen rekening werd gehouden met het vochtgehalte en de korrelgrootteverdeling van het bemonsterde materiaal (verdeling grof materiaal >20mm en fijn materiaal < 20mm). Daarom is in de nieuwe NEN normen de minimale monstergrootte in het veld gebaseerd op het drooggewicht (kg droge stof) en moet bij de monsterneming in het veld rekening worden gehouden met de verdeling fijn (<20mm) en grof (>20mm) materiaal. Dit betekent dat in het veld een groter monster moet worden genomen, zodat het laboratorium een monster van het fijne materiaal (<20mm) overhoud van 10 kg of 25 kg droge stof. In het veld moet in ieder geval een inschatting worden gemaakt van het vochtgehalte van het te bemonsteren materiaal, op basis waarvan de monstergrootte wordt gecorrigeerd. Het vochtgehalte is afhankelijk van de monsternemingsdiepte (hoe dieper hoe vochtiger), het weer (een verdampingsoverschot zorgt voor een lager vochtgehalte en een neerslagoverschot zorgt voor een hoger vochtgehalte) en het type materiaal. Voor de meeste typen grond ligt het vochtgehalte tussen de 5% - 20%. Voor veen is het vochtgehalte hoger en kan oplopen tot boven de 50%. Het vochtgehalte voor puingranulaat ligt meestal tussen de 5% – 15%. Voor het bepalen van het vochtgehalte in het veld kan een vochtsensor worden gebruikt. Daarnaast is de monstergrootte afhankelijk van de gekozen monstervoorbehandeling in het veld: • Als een monster wordt genomen van gezeefde materiaal (fijne fractie < 20mm) hoeft geen verdere correctie te worden uitgevoerd op de monstergrootte. Wel is het van belang om de verhouding tussen de grove fractie en fijne fractie te bepalen. Dit kan zowel in het veld als in het laboratorium plaatsvinden. Voorbeeld: voor grond <20mm met een vochtgehalte van 10% is de minimale monstergrootte in het veld: 10 / (100% - 10%) = 11,1 kg. • Als een monster wordt genomen van het ongezeefde materiaal dan is de monstergrootte afhankelijk van het aandeel aan grof materiaal >20mm en dient een correctie te worden uitgevoerd. Voorbeeld: voor granulaat met een vochtgehalte van 10 % en met 30 % grove fractie > 20mm is de minimale monstergrootte in het veld: 25 / (100% - 40%) = 41,7 kg
3) Wanneer en hoe vindt een toetsing op homogeniteit plaats?
Een toetsing op homogeniteit wordt uitgevoerd als een monster uit meerdere gaten en/of sleuven afkomstig is. In dat geval dient homogeniteit te worden aangetoond tussen de gaten en sleuven waaruit grepen zijn genomen voor dit betreffende mengmonster. Wanneer homogeniteit is aangetoond wordt een gemiddeld gehalte bepaald over de bemonsterde gaten en/of sleuven op basis van al het verzamelde asbestverdachte materiaal. Dit gehalte bepaald samen met het analyseresultaat van het mengmonster het totale asbestgehalte binnen de deellocatie of RE. Indien per gat of per sleuf een individueel monster is genomen is een toetsing op homogeniteit niet nodig. Ook als er in geen van de gaten of sleuven asbest wordt aangetroffen is de homogeniteitstoets niet nodig en wordt het ook niet voorgeschreven. In het veld wordt op basis van de verdeling van asbestverdachte materialen >20mm een eerste indeling gemaakt in min of meer homogene deellocaties of REs. Het is aan het onderzoeksbureau zelf om een goede indeling te maken op basis van de visuele inspectie van de toplaag en sleuven. De uiteindelijke toetsing van deze indeling wordt na het veldwerk uitgevoerd, aan de hand van laboratoriumanalyses van de verzamelde asbestverdachte materialen uit de gaten of sleuven. Het kan voorkomen dat er sprake is van significante verschillen in de gehalten van de gaten of sleuven binnen dezelfde deellocatie of RE, dit betekent dat minstens één van de gehalten van een gat of sleuf niet valt binnen de betrouwbaarheidsintervallen van de andere gehalten van de gaten of sleuven. In dat geval geldt dat het asbestgehalte van een deellocatie of RE wordt bepaald op basis van het gat of de sleuf met het hoogste asbestgehalte. Het is ook mogelijk om op basis van de resultaten te komen tot een nieuwe indeling in homogene deellocaties of REs. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met het bereiden van een nieuw mengmonster over de gaten of sleuven binnen de nieuwe deellocatie of RE. Om te zorgen dat niet opnieuw naar de locatie moet worden teruggegaan voor een nieuwe monsterneming is het mogelijk om voor ieder gat of sleuf een individueel monster te nemen en deze pas te mengen in het laboratorium. Daarnaast zou de analyse van verzamelde asbestverdachte materialen direct op locatie kunnen worden uitgevoerd. In het verkennend onderzoek is het mogelijk dat het gehalte van het mengmonster afkomstig is van één individueel gat. Op basis van de aangetroffen stukjes asbesthoudend materiaal in de gaten en het mengmonster kan in de meeste gevallen worden nagegaan of het plausibel is dat de stukjes asbest in het mengmonster uit 1 gat afkomstig zijn. In dat geval dient een correctiefactor te worden toegepast: totaal gehalte = gehalte mengmonster x aantal gaten binnen een deellocatie + gehalte verzamelde materiaal (>20mm). Hiervoor is het wel noodzakelijk dat bij alle gaten hetzelfde aantal grepen is genomen voor het mengmonster.
4) Wat is de onderbouwing om een 20mm zeef te gebruiken ?
De belangrijkste reden om de maaswijdte van de zeef te verhogen van 16mm naar 20mm is het verkrijgen van meer uniformiteit in de monstervoorbehandeling op locatie. Namelijk, in de oude NEN was een discrepantie aanwezig tussen de monstervoorbehandeling met behulp van zeven (afscheiding op 16mm) en schouwen/harken (afscheiding op 20mm). Op deze manier is door het laboratorium niet goed te oordelen of de monstervoorbehandeling in het veld goed is uitgevoerd. Een bijkomend voordeel is dat de betrouwbaarheid van het onderzoek wordt vergroot. Het blijkt dat de visuele inspectie op locatie lastig is en dit geldt met name voor de zichtbaarheid van kleine stukjes asbesthoudend materiaal rond de 15mm - 20mm in doorsnede. De kans dat deze kleine stukjes in het veld worden gemist is relatief groot, waardoor een onderschatting van het asbestgehalte optreedt. Door het gebruik van een 20mm zeef komen deze, in het veld moeilijk zichtbare, deeltjes in het analysemonster terrecht en worden in het laboratorium geinspecteerd in plaats van in het veld. Opmerking: bij een zeef met vierkant mazen is het in principe mogelijk dat er stukjes met een diameter groter dan 2 cm door de mazen van de zeef kunnen komen. Rekening houdend met de dikte van de stukjes (4mm-6mm) betekent dit dat in theorie stukjes tot ca. 2,2 cm nog door de zeef kunnen komen. Echter de oriëntatie van de stukjes ten opzichte van de zeef zal vaak niet verticaal zijn maar eerder horizontaal, d.w.z. met de platte kant op de zeef, waardoor het in de praktijk vrijwel niet voorkomt dat een stukje groter dan 2cm door de zeef maas heen valt.
5) Waarom en hoe moet worden gecorrigeerd voor de verdeling fijn en grof materiaal?
Het asbestgehalte wordt berekend op basis van de totale hoeveelheid asbest (stukjes < 20mm + stukjes > 20 mm) per kg materiaal (grond of granulaat). Bij de monstervoorbehandeling op locatie door middel van zeven wordt het materiaal echter gesplitst in de fractie <20 mm (fijn) en de fractie >20 mm (grof). De consequentie is dat het analysemonster alleen betrekking heeft op het fijne materiaal < 20 mm (mg asbest <20 mm / kg materiaal <20 mm), terwijl het gehalte betrekking moet hebben op het totale (fijne + grove) materiaal (mg asbest<20 mm / kg materiaal <20 mm + >20 mm). Bij de correctie wordt het gehalte in het analysemonster < 20 mm herberekend naar een gehalte over het totale materiaal (fractie < 20 mm + fractie > 20 mm). Zonder correctie wordt het gehalte overschat; deze overschatting loopt op naarmate er meer grof (bodemvreemd) materiaal in de grond aanwezig is. Voor het gehalte afkomstig van de visuele inspectie op locatie (grof materiaal >20 mm) is geen correctie nodig aangezien dit gehalte al betrekking heeft op het oorspronkelijke materiaal voor de monstervoorbehandeling. Ook wanneer een analysemonster direct uit het materiaal wordt genomen zonder monstervoorbehandeling is geen correctie nodig. De correctie moet alleen worden uitgevoerd als het analysemonster in het veld is voorgezeefd. Voorbeeldberekening: • Asbestgehalte in het analysemonster is 40 mg/kg ds • Analysemonster is in het veld voorbehandeld door zeven (20 mm) • Het percentage grof materiaal (>20 mm) is 30 % (m/m) • Het asbestgehalte op basis van de verzamelde asbestverdachte materialen in veld is 70 mg/kg ds Het totale asbestgehalte = 40 mg/kg ds x (100 % - 30 %) / 100 % + 70 mg/kg ds = 98 mg/kg ds. Opmerking: het simpelweg optellen van de gehalten (40 + 70 = 110 mg/kg ds) zou een overschatting van 12 % geven. Om de correctie uit te kunnen voeren moet de verhouding tussen grof en fijn materiaal bepaald worden. Het heeft de voorkeur om de verhouding te bepalen op basis van zoveel mogelijk uitgegraven materiaal binnen een deellocatie of RE. Dit kan door het reeds uitgegraven veldvochtige materiaal uit gaten binnen een deellocatie (verkennend onderzoek) of uit sleuven binnen een RE (nader onderzoek) te zeven over 20mm waarna zowel de grove als fijne fractie wordt gewogen in het veld. Hierbij wordt aangenomen dat het percentage vocht in beide fracties gelijk is; het is dus niet nodig om het vochtgehalte te bepalen. In de praktijk is dit niet altijd uitvoerbaar, bijvoorbeeld als vanwege de grondslag niet goed gezeefd kan worden. Het is ook mogelijk om per deellocatie of RE een representatief deelmonster te nemen van het niet gezeefde materiaal, waarna in het laboratorium, na drogen, de verhouding tussen de grove fractie en fijne fractie wordt bepaald. Dit deelmonster kan hetzelfde monster zijn als het analysemonster waarin het gehalte asbest wordt bepaald. 
6) Waarom en hoe moeten onverdachte locaties worden onderzocht op asbest?
Voor onverdachte locaties geldt geen onderzoekverplichting en deze locaties vallen daarom in principe buiten het toepassingsgebied van NEN 5707. Echter, de norm kan wel gebruikt worden voor onverdachte locaties, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een bouwvergunning, voor een milieu hygiënische verklaring, bij grondverzet ten behoeve van ondergronds leidingwerk of bij (ver)koop, (ver)huur van een perceel. Voor dergelijke situaties is paragraaf 6.4.1 (kleinschalig onverdacht) of paragraaf 6.4.2 (grootschalig onverdacht) van toepassing. De onderzoeksmethode is dezelfde als voor verdachte locaties, echter het onderzoek is minder intensief (minder gaten en boringen en mengmonsters). Onverdachte locaties vallen tevens onder de uitzonderingsgevallen zoals genoemd in paragraaf 6.3. Dit betekent dat in principe geen gaten hoeven te worden gegraven, maar dat boringen met een minimale diameter van 12 cm volstaan. De boringen geven alleen uitsluitsel over de mogelijke afwezigheid van asbest. Indien asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen dan wordt de onderzoekshypothese ‘onverdacht’ verworpen en dient een nieuwe onderzoekstrategie te worden opgesteld.
7) Wat is de normering (toetsingswaarden) voor asbest in grond en puin en op welke manier moet worden getoetst ?
De landelijke normen voor asbest in grond, bodem en puingranulaat zijn vastgesteld op 100 mg/kg gewogen (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De hergebruikswaarden voor asbest in grond, baggerspecie en bouwstoffen zijn opgenomen in bijlagen A en B van de Regeling bodemkwaliteit. De waarde van 100 mg/kg ds geldt als eis, mits het asbest niet opzettelijk aan de bouwstof, grond of baggerspecie is toegevoegd (zie Productenbesluit asbest). De interventiewaarde voor asbest is opgenomen in bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd per 3 april 2012. In tegenstelling tot andere chemische stoffen is het volumecriterium (minimaal 25 m3 verontreinigd bodemvolume) voor asbest niet van toepassing. Bij asbest is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien het asbestgehalte binnen een in het bodemonderzoek onderscheiden ruimtelijke eenheid (RE) de interventiewaarde overschrijdt. Het eindresultaat van een onderzoek conform NEN 5707 of NEN 5897 is een gehalte aan chrysotiel (serpentijn), amfibool en totaal asbest per partij of per RE. De gehalten kunnen niet direct worden getoetst aan de bovengenoemde landelijke normen. Hiervoor dienen de gehalten aan chrysotiel en amfibool eerst omgerekend te worden naar een gewogen gehalte. Deze omrekening kan worden beschouwd als onderdeel van de toetsing en is daarom niet in de NEN normen opgenomen. Het gewogen gehalte (mg/kg ds) = gehalte chrysotiel (mg/kg ds) + 10 x gehalte amfibool (mg/kg ds) Bij de toetsing is het berekende gewogen gehalte aan asbest bepalend, waarbij wel het 95%-betrouwbaarheidsinterval moet worden weergegevenom een indruk te krijgen van de spreiding. In de rapportage van de eindgehalten aan chrysotiel en amfibool dient conform NEN 5898 (paragraaf 8.4) een afronding plaats te vinden. Deze afgeronde gehalten dienen echter niet te worden gebruikt voor de omrekening ten behoeve van de toetsing. De omrekening moet gebeuren met de niet afgeronde gehalten aan chrysotiel en amfibool en ook het uiteindelijke gewogen gehalte dient niet afgerond te worden conform NEN 5898. Opmerking: bij de omrekening van afgeronde gehalten aan chrysotiel en amifbool zou een mogelijke onderschatting kunnen ontstaan van het gewogen gehalte. Bijvoorbeeld 10,4 mg/kg ds amifibool wordt bij afronding conform NEN 5898 10 mg/kg ds, Bij omrekening naar een gewogen gehalte wordt dit 100 mg/kg ds, terwijl dit bij het niet afgeronde amfibool gehalte 104 mg/kg ds is. Ook het verder afronden van het gewogen gehalte kan problemen geven bij verdere toetsing. Bijvoorbeeld 7,3 mg/kg ds amfibool en 31 mg/kg ds chrysotiel wordt bij omrekening naar een gewogen gehalte 104 mg/kg ds. Bij verdere afronding zou dit 100 mg/kg ds worden.
8) Hoe moet een partijkeuring conform NEN 5707 en NEN 5897 worden uitgevoerd en hoe wordt de asbestconcentratie berekend die kan worden getoetst aan normwaarden?
Een partijkeuring wordt uitgevoerd door het nemen van grote vrachten (monsters) op 12 aselecte plekken of het nemen van kleine grepen op 100 aselecte punten binnen een partij van maximaal 2000 ton, conform 1 van de 4 monsterneming strategieën in hoofdstuk 8 van NEN 5897 of NEN 5707. De grootte van de monsters en grepen moeten voldoen aan de minimale eisen in tabel 8 van NEN 5897 of NEN 5707. De 12 monsters of 100 grepen moeten alternerend worden verdeeld tot 2 mengmonsters met ieder 6 monsters respectievelijk 50 grepen. In geval van de 12 monsters is het niet noodzakelijk om ze ‘letterlijk’ op 2 hopen te gooien, maar van te voren moet wel duidelijk zijn tot welk mengmonster ieder individueel monster behoort. Per mengmonster moet het materiaal systematisch worden afgezocht naar asbestverdachte stukken >20 mm conform paragraaf 9.2 in NEN 5897 of NEN 5707. In geval van de 12 individuele monsters betekent dit dat de asbestverdachte stukken in de monsters 1,3,5,7,9,11 bij elkaar worden gevoegd en hetzelfde geldt voor de asbestverdachte stukken in de monsters 2,4,6,8,10,12. Hierna wordt van ieder mengmonster van 6 individuele monsters dan wel 50 grepen, kleinere grepen genomen, conform paragraaf 9.3 in NEN 5897 of NEN 5707 ten behoeve van de analyse van het fijne materiaal <20 mm in het laboratorium. In NEN 5897 is in bijlage B van de gehele methodiek een uitgebreid rekenvoorbeeld gegeven. Op bovenstaande systematiek kan als alternatief (in plaats van het nemen van grepen of monsters) een partij (deels) uitgespreid worden, waarna het totale oppervlak wordt geïnspecteerd. De hoeveelheid geïnspecteerd materiaal moet dan wel gelijk zijn aan de 12 monsters. Omdat een inspectie oppervlak niet alternerend in 2-en is te splitsen mag in dat geval 1x het totale gehalte aan asbest worden berekend op basis van de stukjes >20 mm. Voor de analyse van het fijne materiaal <20 mm moeten echter wel 2 x 50 grepen worden genomen en alternerend worden verdeeld in 2 mengmonsters. Uiteindelijk worden per partij 2 separate asbestgehalten bepaald op basis van de 2 mengmonsters. De asbestgehalten mogen gemiddeld worden als de berekende gehalten binnen elkaars betrouwbaarheidsintervallen liggen. Als 1 of beide berekende gehalten buiten het betrouwbaarheidsinterval valt, dan dient voor toetsing het hoogste gehalte te worden genomen. Opmerking: Voor partijkeuringen asbest in grond geldt een erkenningsplicht volgens protocol 1001. BRL 1000,protocol 1001 is inmiddels via wijzigingsbladen aangepast en samen met de door NEN vastgestelde correctiebladen is de aanpak voor partijkeuring in de NEN- en SIKB-documenten met elkaar in overeenstemming gebracht.
9) Hoe moet het percentage bodemvreemd materiaal worden bepaald?
Volgens de Wet bodembescherming wordt onder bodem het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen verstaan. Volgens vaste jurisprudentie is een stortlaag die voor meer dan 50 % uit bodemvreemd materiaal bestaat geen bodem meer als bedoeld in de Wet bodembescherming. Er is echter niet aangegeven of moet worden uitgegaan van gewichtsprocenten of volumeprocenten. Wel is in het Besluit Bodemkwaliteit aangegeven dat moet worden uitgegaan van 20 gewichtsprocenten bij de definitie van partijen grond en baggerspecie. Daarnaast is in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen en Regeling beoordeling reinigbaarheid grond wel aangegeven dat wordt uitgegaan van maximaal 50 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal voor grond. In navolging op deze Besluiten en Regelingen, is in NEN 5707 en NEN 5897 ook 50 gewichtsprocent gehanteerd als scheiding in toepassingsgebied van beide normen. Bodemvreemde materialen kunnen op de volgende manier worden onderverdeeld: • bodemvreemd steenachtig materiaal: metselwerkpuin, betonpuin, steenslag asfaltpuin, freesasfalt, slakken, as, sintels, glas, tegels, keramiek, kunstleien, cellenbeton, geëxpandeerde klei. • bodemvreemd niet-steenachtig materiaal: plastic, gips, kalk, roofing, bitumen, rubber, isolatiematerialen (zoals piepschuim) metalen (zoals bouten, moeren, schroot), hout (behandeld, onbehandeld), asbestverdacht materiaal, papier, kurk, textiel. Op dit moment bestaat geen eenduidige methode voor de bepaling van het percentage aan bodemvreemd materiaal. Een indicatie van het percentage kan worden verkregen door de grove fractie af te zeven (20 mm zeef of kleinere maaswijdte) en deze in het veld te wegen. Als dit niet mogelijk is kunnen bodemvreemde bestanddelen geschat worden op het oog, dus op volume. Voor steenachtige materialen zal het gewichtspercentage ongeveer hetzelfde zijn als het volumepercentage. Voor niet-steenachtige materialen zal er enige overschatting zijn, echter dit is, gezien het doel van de bepaling (onderscheid toepassing NEN 5707 en NEN 5897) niet onoverkomelijk. Opmerking: Op basis van de definitie van grond kan het bodemvreemd materiaal worden bepaald door gedroogde grond te zeven over 2mm en de bodemvreemde delen te wegen. Dit kan echter niet in het veld wordt uitgevoerd. Zie voor aanvullende informatie: https://www.nen.nl/NEN-Shop/Nieuwsberichten-Milieu/Definitie-bodemvreemd-materiaal.htm
10) Waarom en wanneer moet de respirabele asbestfractie worden bepaald?
In de circulaire bodemsanering 2009 is in bijlage 3 het Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, Protocol Asbest opgenomen. Met het protocol asbest kan worden bepaald of er sprake is van onacceptabele risico's ten gevolge van de aanwezigheid van bodemverontreiniging met asbest en in hoeverre saneringsmaatregelen (op korte termijn) moeten worden getroffen. In het protocol asbest is middels een stappenschema aangegeven hoe vastgesteld kan worden of wel of geen sprake is van onaanvaardbare risico’s. In de eerste stap dient vastgesteld te worden of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging: gehalte > 100 mg/kg ds (gewogen). In de tweede stap wordt een standaard risicobeoordeling uitgevoerd op basis van al gegenereerde gegevens in het NEN 5707 onderzoek. Het gaat hier met name om de vraag of blootstelling aan asbest mogelijk is bij huidig/toekomstig gebruik. Daarnaast is voor hechtgebonden asbest een extra grens gesteld van 1000 mg/kg ds (gewogen), waaronder het risico “aanvaardbaar” is. Pas in de laatste stap wordt een locatiespecifieke risicobeoordeling uitgevoerd waarbij de concentratie aan respirabele vezels in de contactzone wordt bepaald. Bij een concentratie van 10 mg/kg ds (gewogen) wordt gesteld dat er “onaanvaardbare risico’s” zijn en dat er een indicatie is voor spoedeisendheid (sanering binnen 4 jaar). Naast de wettelijke bepaling van “ernst en spoed” kunnen er ook nog andere redenen zijn om de concentratie aan respirabele asbestvezels te onderzoeken: — onderzoek naar de effectiviteit van een reinigingsproces waarbij het eindproduct behoort te worden gecontroleerd op fijne vezels die mogelijk zijn vrijgekomen tijdens het proces; — het beoordelen van het blootstellingsrisico tijdens verwerking of opslag van een verontreinigde partij; — inschatting van de risico’s op vezelemissie onder normale gebruiksomstandigheden. — verontreinigde toplaag direct onder asbestdaken zonder goot of in de buurt van (kapotte) afvoerpunten Aanvullend onderzoek naar de respirabele fractie is over het algemeen alleen zinvol als er niet-hechtgebonden materialen zijn aangetroffen in de monsters en als daarnaast in de zeeffractie < 500 μm daadwerkelijk asbestvezels worden aangetroffen. Voor de bepaling van de respirabele vezels dient een representatief monster te worden gebruikt voor de betreffende bodem (contactzone) of grond. Het is daarvoor niet per definitie nodig om een nieuw monster te nemen op locatie. Een representatief monster kan ook worden samengesteld uit de monsters die zijn gebruikt voor het verkennend of nader onderzoek. Dit kunnen echter niet reeds gezeefde monsters zijn, omdat tijdens het zeefproces mogelijk asbestvezels uit de grond zijn verdwenen of juist zijn vrijgekomen. Conform NEN5898 moet voorafgaand aan het zeven uit ieder monster 100 gram apart worden gehouden; dit is speciaal bedoeld voor de bepaling van de respirabele fractie.
11) Wanneer is het toegestaan om in plaats van proefsleuven, proefgaten te graven en boringen te zetten?
Alleen in het verkennend onderzoek is het in principe toegestaan om proefgaten te graven of boringen te zetten. Voor de verdachte laag bodem of puin(granulaat) moet minimaal een gat van 30 cm x 30 cm worden gegraven of een gat worden geboord met een middellijn van 35 cm. Voor de onverdachte (onder)grond moet minimaal een boor met een middellijn van 12 cm worden gebruikt. Ook voor onverdachte bodemlocaties is het toegestaan om boringen te zetten met een minimale diameter van 12 cm. Als tijdens de boringen in de onverdachte bodem asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen is de betreffende locatie of bodemlaag verdacht en moeten grotere gaten worden gegraven of geboord. In uitzonderingsgevallen kunnen voor verdachte bodemlagen ook boringen worden gebruikt met een minimale middellijn van 12 cm of ten minste driemaal zo groot als de maximale deeltjesgrootte (D100) van de asbestverdachte stukjes. Dit geldt specifiek voor dieper gelegen bodemlagen afgedekt door een duurzame verhardingslaag (beton, asfalt enz.). In die gevallen zijn proefgaten en grote boringen vaak niet goed te realiseren en/of de omvang van deze werkzaamheden staat niet in verhouding met de doelstelling van het verkennend onderzoek. Dergelijke kleine boringen kunnen niet worden gebruikt voor een indicatieve gehaltebepaling conform paragraaf 6.6.3 in NEN 5707. Voor het onderzoek van puin(granulaat) conform NEN 5897 is het in zijn geheel niet toegestaan de kleine boringen toe te passen. In het nader onderzoek (en eventueel ook het verkennend onderzoek) is directe toetsing aan landelijke normwaarden alleen mogelijk als per RE (1000 m2) minimaal 5 sleuven van 0,3 x 2 m worden onderzocht. Eventueel mogen daarvoor ook proefgaten (30 cm x 30 cm) of boringen (middellijn 35 cm) worden gebruikt, echter de hoeveelheid geïnspecteerd materiaal moet minimaal hetzelfde zijn. Dat wil zeggen dat voor 1 sleuf 7 gaten moeten worden gegraven of geboord. In het nader onderzoek is alleen in uitzonderingsituaties (voor kleinschalige locaties waar het niet mogelijk is sleuven te graven) toegestaan om proefgaten te graven in plaats van sleuven. In dat geval moet voor 1 sleuf minimaal 2 gaten worden gegraven van 30 cm x 30 cm of gaten worden geboord met een middellijn van 35 cm. In deze uitzonderingsgevallen mogen de gaten uit het verkennend onderzoek ook gebruikt worden, waarbij direct aan de landelijke normwaarden kan worden getoetst.
12) Is het mogelijk om de betrouwbaarheid in het analyseresultaat te verhogen?
Een belangrijke onzekerheidsfactor in de bepaling van het asbestgehalte is de schatting van het gewichtspercentage asbest in de asbesthoudende materialen. De standaardschatting gaat uit van 7 gewichtsklassen (in massaprocenten): 0,1-2, 2-5, 5-10, 10-15, 15-30, 30-60, 60-100. Voor een nauwkeurige gehaltebepaling in een monster is het daarom belangrijk dat het percentage asbest zo nauwkeurig mogelijk wordt geschat (binnen de grenzen van de standaard gewichtsklassen die zijn opgenomen in tabel 1 van NEN 5898). Door vergelijking met referentiemonsters kan vaak een nauwkeuriger schatting van het asbestpercentage worden gemaakt. Voor een nauwkeurige bepaling van lage percentages asbest in materialen (ca. <5 %) kan de NEN-ISO 22262-2 worden gebruikt. Ook kan een betere gewichtsschatting worden verkregen door 10 gewichtsklassen aan te houden (in massaprocenten): 0,1-2, 2-5, 5-10, 10-15, 15-20, 20-30, 30-45, 45-60, 60-80, 80-100.
13) Hoe moet de bodem onder asbestdaken worden onderzocht?
In algemene zin is de bodem onder asbestdaken verdacht en dient onderzocht te worden conform NEN 5707. Vooral onder asbestdaken zonder goot of in de buurt van kapotte afvoerpunten mag ervan worden uitgegaan dat de toplaag is verontreinigd met niet-hechtgebonden asbest. Het onderzoek kan worden beperkt tot de bodemzone waar vezelmateriaal aanwezig kan zijn door uitspoeling vanuit verweerde asbestcementplaten. In de meeste gevallen is de directe verdachte bodemlaag ca. 1 m vanaf de dakrand tot 10 cm-mv. Deze bodemzone rondom het asbestdak dient als één (deel)locatie te worden beschouwd. Voor greep- en monstergrootte gelden de standaardcriteria in NEN 5707: 0,5 kg respectievelijk 10 kg ds. Bij daken zonder goot of in de buurt van kapotte afvoerpunten wordt geadviseerd ook de respirabele vezelconcentratie te onderzoeken conform paragraaf 6.4.5 in NEN 5898. Gebruik hiervoor het apart gehouden deelmonster van ca. 100 gram uit het originele monster. Opmerking: Uit onderzoek van Geofoxx (bijzonder inventariserend onderzoek – Erosie van asbestdaken http://geofoxx.nl/tag/asbestdaken/)blijkt dat onder asbestdaken zonder goot asbestverontreiniging in de toplaag optreedt door afspoeling vanuit verweerde asbestcement platen. Deze verontreiniging is aanwezig tot maximaal 1 meter gerekend vanaf de dakrand. De diepte van de verontreiniging beperkt zich tot de bovenste 5 cm á 10 cm. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat tijdens de veldinspectie conform NEN 5707 op de bodem geen visueel waarneembaar asbest aanwezig was maar dat toch op basis van de laboratoriumanalyses in 45% van de gevallen (n=20) de interventiewaarde wordt overschreden. Ook blijkt in 45 % van de gevallen de respirabele vezelconcentratie hoger te liggen dan 10 mg/kg ds. In 20 % van de gevallen valt deze verhoogde respirabele vezelconcentratie niet samen met een overschrijding van de interventiewaarde.
14) Waar en wanneer moeten mengmonsters worden genomen?
Per deellocatie (verkennend onderzoek) en per ruimtelijke eenheid (nader onderzoek) wordt een mengmonster genomen, conform de eisen die zijn gesteld in NEN 5707 en NEN 5897. Normaal gesproken wordt dit mengmonster direct op locatie bereid, maar het is ook mogelijk om per gat/sleuf individuele monsters te nemen en die later te mengen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de aard van de verontreiniging op locatie niet direct duidelijk is; dan kan later op basis van de verzamelde en geanalyseerde asbesthoudende materialen (> 20 mm) een indeling in deellocaties en/of RE’s worden gemaakt en op basis daarvan een strategie voor mengmonsters worden bepaald. In bovengenoemde gevallen is het mogelijk dat het laboratorium individuele monsters krijgt aangeboden met het verzoek om deze te mengen. Alhoewel dit niet staat beschreven in NEN5898 is dit wel toegestaan, mits de eisen voor minimale greepgrootte en monstergrootte in NEN 5707 en/of NEN 5897 worden aangehouden. Een mogelijk knelpunt hierbij is wel dat het laboratorium nog geen erkenning heeft voor het mengen van monsters conform NEN 5707 en NEN 5897.Bij de volgende herziening zal het mengen van monsters ook worden opgenomen in NEN 5898. Tot deze tijd moet duidelijk in het analysecertificaat/rapport worden aangegeven dat het laboratorium het mengmonster heeft bereid in overeenstemming met de procedure in NEN5707 (voor bodem en grond) of NEN 5897 (voor recyclinggranulaat en bouw- en sloopafval).
15) Is het toegestaan een monster in het laboratorium te verkleinen voor analyse conform NEN 5898?
NEN 5898 heeft betrekking op een analysemonster, dat wil zeggen een monster (individueel of mengmonster) dat wordt aangeboden aan het laboratorium om geanalyseerd te worden. Conform NEN 5898 (paragraaf 6.3.1) moet het volledige, voor analyse aangeboden, monster grond, sediment, baggerspecie, recylinggranulaat of bewerkt bouw- en sloopafval in behandeling worden genomen. Als een monster wordt aangeboden voor analyse, mag dit monster niet worden verkleind en er mag ook geen deelmonster worden genomen. Dit heeft te maken met de verminderde representativiteit van het monster als er grepen uit het monster worden gehaald. Als een monsternemer in het veld een (te) groot monster heeft genomen en het laboratorium verzoekt hier een deelmonster uit te nemen voor analyse is dat niet toegestaan. Het gehele monster moet worden geanalyseerd. Dit moet overigens niet worden verward met het aanbieden van meerdere individuele monsters waaruit een mengmonster moet worden bereid door het laboratorium; dit is wel toegestaan.


Veelgestelde vragen - Asbest in bodem, gepubliceerd door RWS

Rijkswaterstaat Leefomgeving heeft een aantal vragen en antwoorden gepubliceerd over Asbest in bodem, o.a. komen aan bod:
• Welke gegevens moet ik naast een asbestonderzoek conform NEN 5897 of NEN 5707
nog meer aanleveren voor een aanvraag van een verklaring van niet-reinigbaarheid voor grond?
• Wat is de terugsaneerwaarde bij een nieuw geval van bodemverontreiniging met asbest?

Vraag en antwoordlijst RWS

NEN spant zich in voor een zo zorgvuldig mogelijk antwoord op vragen. Desondanks is het mogelijk dat in deze vragen en antwoorden onjuistheden en onvolledigheden vermeld staan. NEN aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of in enig opzicht verband houdt met het gebruik van deze informatie.

Terug



Gerelateerd nieuws

Eerder door u bekeken

Meer informatie?

Neem contact op met de afdeling Milieu & Maatschappij

(015) 2 690 303

mm@nen.nl