Veelgestelde vragen - NEN 5740

NEN 5740:2009 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygienische kwaliteit van bodem en grond'

NEN 5720:2009/A1:2014 'Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie' (Wijzigingsblad)

NEN 5740:2009+A1:2016 nl Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in wijzigingsblad (NEN 5740:2009/A1:2016 nl)?
Het wijzigingsblad ziet toe op de toepasbaarheid voor lijnvormig onderzoek. Daarnaast bevat de aanvulling een paar andere wijzigingen, waaronder een verduidelijking van de noodzaak tot het plaatsen van peilbuizen met een snijdend peilfilter, en een zorgvuldiger formulering van de tabellen.
Waarom is gekozen voor een aanvullingsblad i.p.v. een volledig herziene norm?
Er is gekozen voor een aanvullingsblad omdat alleen een aanvulling met lijnvormig onderzoek voorzien was, niet een complete revisie van de norm. Wel is van de gelegenheid gebruik gemaakt om wat onduidelijkheden in de norm te corrigeren. Een complete revisie van de norm zal plaatsvinden indien daar voldoende aanleiding toe gezien wordt.
Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in NEN 5740:2009+A1:2016 nl t.o.v. de versie uit 1999?
NEN 5740:2009+A1:2016 nl is aangepast aan de huidige praktijk. Daarbij is gestreefd naar een maximale ‘naleefbaarheid' en een betere aansluiting op het vooronderzoek. Nieuw in NEN 5740 zijn twee onderzoeksstrategieën voor de vaststelling van de nulsituatie bij toekomstige bodembelasting (NUL) en bij een toekomstige ondergrondse opslagtank(s) (NUL-OO). Deze onderzoeksstrategieën kunnen uitgevoerd worden bij oprichting, verandering of beëindiging (eindsituatie) van bodembedreigende activiteiten binnen een inrichting (volgend uit artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit of een Wm-vergunning). Ook zijn de bepalingen voor de filterstellingen van peilbuizen aangepast.

Hoe omgaan met fluctuaties van grondwaterstand bij bepalen van goede filterstelling?
Voorafgaand aan de plaatsing van een peilbuis moet de bodemonderzoeker vooronderzoek hebben gedaan naar grondwaterfluctuatie die op de locatie te verwachten is. Hierbij houdt hij rekening met de actuele grondwaterstand, de gleyzone en historische informatie. Gebaseerd op deze verwachting en de grondwaterstand die tijdens het plaatsen van de peilbuis wordt geconstateerd, wordt het filter op de juiste diepte gesteld. Voor de keuze is het belangrijk dat op het moment dat monstername gepland is het filter minimaal 1m onder de actuele grondwaterstand staat. Bij grote fluctuatie zal voor (monitorings)peilbuizen daarom vaak een meter onder de Gemiddelde Laagste Grondwaterstand aangehouden worden. Hierbij zal tijdens monstername soms veel minder, soms veel meer dan een meter grondwater boven het filter staan. Gaat het om een peilbuis in een verkennend bodemonderzoek, dan wordt vooral rekening gehouden met de verwachte grondwaterstand één week na plaatsing, omdat deze peilbuizen meestal maar één keer worden gebruikt. Als er aanleiding bestaat om een bepaald watervoerend pakket te bemonsteren, dan moet de filterstelling (en filterlengte) daar op afgestemd worden.

Moeten alle bodemlagen opgenomen zijn in het te analyseren mengmonster?
De norm schrijft voor dat er tenminste één representatief mengmonster van de ondergrond, tenminste één representatief mengmonster van de bovengrond en tenminste één grondwatermonster wordt onderzocht. Het aantal monsters en mengmonsters is afhankelijk van de strategie en locatie-oppervlakte. Niet alle lagen hoeven in de mengmonsters vertegenwoordigd te zijn, mits uit het vooronderzoek en veldwaarnemingen geen aanleiding bestaat om toch alle lagen te onderzoeken. De onderzoeker moet de meest kritische laag/lagen bepalen en deze onderzoeken (uiteraard onderbouwd in de rapportage). Daarnaast gelden er nog eisen voor de wijze waarop mengmonsters worden samengesteld (zie onder andere 9.3).

Welke strategie moet worden gevolgd voor eindsituatie-onderzoek?
Eindsituatie-onderzoek moet uitgevoerd worden volgens strategie VEP of VEP-OO. Strategie NUL en strategie NUL-OO zijn hiervoor niet geschikt, omdat deze strategieën opgesteld zijn om een toetsingsgrondslag te verkrijgen voor verontreinigen welke mogelijk ontstaan ten gevolge van een toekomstige bodembelasting. Na beëindiging van de bedrijfsactiviteit is er geen sprake meer van een potentiele bodembelasting en kan er dus niet meer worden gewerkt met deze strategieën. De strategie VEP en VEP-OO zijn daarvoor wel geschikt; deze houden rekening met de feitelijke situatie en kunnen dus ook op punten afwijken van het vooraf uitgevoerde NUL-onderzoek.

Waarom moet zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EGV) al in het veld gemeten worden?
De reden hiervoor is dat het meten van pH en EGV direct na de monsterneming betere resultaten oplevert. Bij de verpakking, transport en conservering van het monster kan de pH en EGV namelijk variëren/veranderen door (onder andere) temperatuurschommelingen, beweging en oxidatie, waardoor de gemeten waarden in het laboratorium af kunnen wijken van de werkelijke waarde van het in-situ grondwater.

Mogen deellocaties elkaar overlappen? En mogen boringen/peilbuizen in het overlappende deel voor beide deellocaties worden gebruikt?
NEN 5740:2009 staat, net als NEN 5740:1999, overlap tussen deellocaties toe (zie definitie 3.15 en paragraaf A.3). Monsternemingspunten in het overlappende deel van de deellocatie mogen voor beide deellocaties worden gebruikt. De eisen voor verdeling van de verschillende boringen/peilbuizen over de deellocaties blijven dan echter wel onverminderd van kracht. Voorbeeld: bij verdachte plaatsen moeten de boringen zo dicht mogelijk bij de potentiële verontreinigingskern worden geplaatst en op een onverdachte locatie moeten de boringen gelijkmatig verdeeld worden.

Afronding getallen in de tabellen voor de bemonsteringsinspanning
Als het onderzoeksterrein binnen de (in de tabel) gegeven oppervlaktes valt, rond dan de oppervlakte van het onderzoeksterrein naar boven af en lees dan in de tabel de bijbehorende strategie af. Voorbeeld: • de strategie ‘1 ha' is voor oppervlaktes < 1 ha • de strategie ‘2 ha' is voor oppervlaktes tussen 1 en 2 ha, enzovoort. Bij gebruik van de formule wordt de oppervlakte niet afgerond. Het overeenkomstig aantal boringen/analyses wordt wel afgerond, volgens de normale regels. Voorbeeld: • een oppervlakte van 5,1 ha levert 21,35 op, wat wordt afgerond tot 21 boringen/analyses. • een oppervlakte van 5,2 ha levert 21,70 op, wat wordt afgerond tot 22 boringen/anayses.

Hoe bepaalt veldwerker bij monsterneming of filterstelling van buis correct is?
De veldwerker moet voorafgaand aan de monsterneming op basis van de peilbuislabels en/of informatie die door de eigenaar/beheerder van de peilbuis voldoende zekerheid hebben dat het filter goed staat. Door de diepte van de peilbuis te controleren en dat te verrekenen met de filterlengte kan hij eventueel tot dezelfde conclusie komen.

Strategie 'ONV' toepasbaar in gebieden met verhoogde achtergrondwaarde?
In NEN 5740:2009 is sprake van een onverdachte locatie als de verwachte gehalten beneden de landelijke generieke achtergrondwaarden (AW2000) liggen. In het landelijke gebied liggen de verwachte gehalten doorgaans beneden de AW2000 en kan de strategie voor een onverdachte locatie worden gevolgd. Voor onderzoek in stedelijk/bebouwd gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart of lokale maximale waarden beschikbaar zijn, ligt dit anders. Deze locaties zouden namelijk volgens NEN-strategie VED-HE (=onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming) moeten worden onderzocht. De ervaring van de taakgroep NEN 5740 binnen de NEN-commissie 390 020 01 'Veldwerk-Monsterneming' is dat de strategie VED-HE thans weinig wordt toegepast bij verkennend onderzoek in gebieden met verhoogde achtergrondwaarden. Er wordt vaak teruggevallen op de strategie ONV met als motivatie dat de strategie VED-HE weliswaar gegevens oplevert over de kwaliteit van de ophoog laag maar onvoldoende gegevens voor de beoordeling van de algehele kwaliteit van de bodem. De hypothese 'onverdacht' en hypothese 'verdacht' kan het best geïnterpreteerd worden volgens NEN 5725:2009, paragraaf 8.3 onder a). Inderdaad is het zo dat in stedelijk gebied met bekende diffuse verontreinigingen (o.a. stedelijk ophooglagen) de hypothese 'verdacht' moet worden gekozen en dus strategie VED-HE moet worden toegepast. Hypothese 'onverdacht' is alleen van toepassing indien op basis van het vooronderzoek geen gehalten boven de AW2000 als gevolg van belastende bronnen/activiteiten zijn te verwachten. De scheidslijn is niet altijd even scherp. Ook aspecten als de dikte van de stedelijke ophooglaag in relatie tot de ontgravingsdiepte kunnen hierbij een rol spelen. In dat geval komt het aan op de volledigheid van het vooronderzoek, de motivering van de gekozen onderzoekshypothese en een goede afstemming met het bevoegde gezag.

(Update: november 2010)

Welke eisen t.a.v. de diepte van boringen moet ik aanhouden?
Er is inderdaad sprake van onduidelijkheid in de tekst van paragraaf 5.1.2.2 b ("ten minste 0,5 m beneden grondwaterspiegel") en de tekst in tabel 3 ("tot grondwater"). Hetzelfde geldt ook voor de strategie voor grootschalig onverdachte locaties (paragraaf 5.2.2.2 en tabel 4). Deze onduidelijkheid is niet van recente datum: NEN 5740:1999 bevatte dezelfde tekst. In deze versie was een toelichting op de onderzoeksstrategieën opgenomen. In de toelichting op de strategie onverdacht (paragraaf 6.2.1 van NEN 5740:1999) stond dat boringen moeten worden gezet 'tot aan het freatische grondwater'. Omdat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen argumenten zijn om bij de strategie (grootschalig) onverdacht een grotere boordiepte aan te houden, stelt de NEN-commissie 'Veldwerk – monsterneming' daarom voor om de tekst in de tabellen 3 en 4 te laten prevaleren. De tekst in de paragrafen 5.1.2.2 lid b en 5.2.2.2 wordt dan als volgt gewijzigd: 'Voor monsterneming van de boven- en ondergrond van niet-lijnvormige locaties tot ten minste de freatische grondwaterspiegel. Voor bemonstering van de ondergrond van niet-lijnvormige locaties geldt heen minimumboordiepte van 1,0 m tot maximaal 2,0 m afhankelijk van de grondwaterspiegel: Voor lijnvormige locaties geldt een minimale boordiepte van 0,25 meter beneden de ontgravingsgrens.

(Update: september 2016)

Klopt de omrekening in § 6.1.1.2 wel?
In paragraaf 6.1.1.2 staat een omrekenfout. De juiste waarde moet zijn 'een oppervlakte van 25 ha (i.p.v. 5 ha).

(Update: maart 2013)

Waarom gaat tabel 13 (TOETS-S) tot 6.250 m3 en niet tot 125.000 m3?
Tabel 13 geeft de onderzoeksinspanning weer voor één ruimtelijke eenheid: 1 partij van 6.250 m3. De tabel is een hulpmiddel voor het verdelen van de boringen en grepen over een in-situ partij met verschillende bemonsteringsdieptes. Als het te bemonsteren volume groter is dan 6.250 m3, moet de locatie in meerdere partijen worden verdeeld. De onderzoeksstrategie TOETS-S ((§ 6.1) is bedoeld voor locaties met maximaal 20 partijen (20 x 6.250 m3 = 125.000 m3). Als het te onderzoeken volume groter is dan 125.000 m3, kan worden overgestapt naar de strategie TOETS-S-GR (§ 6.2).

(Update: maart 2013)

Mag je puinhoudende grond en niet-puinhoudende grond met elkaar mengen?
Puinhoudende grond dient als verdacht te worden beschouwd totdat analytisch onderzoek het tegendeel heeft bewezen. Bij de bemonstering van de bodemlagen en bij het samenstellen van analysemonsters kunnen puinhoudende en niet-puinhoudende grond daarom niet worden gemengd.

(Update: maart 2013)

NEN spant zich in voor een zo zorgvuldig mogelijk antwoord op vragen. Desondanks is het mogelijk dat in deze vragen en antwoorden onjuistheden en onvolledigheden vermeld staan. NEN aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of in enig opzicht verband houdt met het gebruik van deze informatie.

Terug



Gerelateerd nieuws

Eerder door u bekeken

Meer informatie?

Neem contact op met de afdeling Milieu & Maatschappij

(015) 2 690 303

mm@nen.nl