Veelgestelde vragen - NEN 5744

NEN 5744:2011 'Bodem - Monsterneming van grondwater'
NEN 5744:2011/A1:2013 'Bodem - Monsterneming van grondwater' (wijzigingsblad)

Vragen en antwoorden

Moet grondwatermonster voor analyse op PAK gefiltreerd en/of gecentrifugeerd worden?
Het bepalen van het PAK-gehalte in grondwater bestaat uit de volgende stappen: monsterneming, monstervoorbewerking en analyse. • Monsterneming: NEN 5744 schrijft een voorpomp- en bemonsteringsprocedure voor die er voor zorgt dat monsters met een veel lagere troebelheid worden genomen. Filtratie is alleen toegestaan indien het anorganische stoffen betreft en dus niet ingeval van onderzoek naar de aanwezigheid van PAK. • Monstervoorbewerking en analyse worden door laboratoria uitgevoerd onder AS 3000. Deze schrijft het volgende voor voor monstervoorbewerking (uit par. 2.3 van AS 3000): "Voorafgaande aan de deelbemonstering mogen deze monsters niet worden gefiltreerd, maar moeten zij gedurende minimaal 8 uur worden bezonken onder bewaarcondities conform NEN-EN-ISO 5667-3 of SIKB protocol 3001. Deelbemonstering voor organische analyses moeten zodanig gebeuren dat zo min mogelijk opwerveling van bezonken deeltjes plaatsvindt (bijvoorbeeld door voorzichtig decanteren of met behulp van een pipet). Opmerking: de 8 uur bezinkingstijd mag worden vervangen door centrifugeren van het monster." • Voor analyse bestaan verschillende normen (o.a. NEN-EN-ISO 17993, NEN-ISO 7981-1 & 2), AS 3000 schrijft NEN-EN-ISO 17993 voor.

(Update: 2010)

Hoe omgaan met NEN 5744:2011 en protocol 2002 van SIKB
Bijlage C van de Regeling Bodemkwaliteit verwijst voor het nemen van grondwatermonsters bij milieuhygiënisch bodemonderzoek naar protocol 2002. Dit protocol uit 2007, dat door SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer) wordt beheerd, is grotendeels gebaseerd op de werkwijze zoals beschreven in de voorgaande versie van NEN 5744. Gezien alle ontwikkelingen sinds 2007, in het bijzonder de nieuwe editie van NEN 5744, is het zaak om protocol 2002 te updaten. SIKB is daar inmiddels mee begonnen, met als belangrijk uitgangspunt dat beide documenten binnenkort weer naadloos op elkaar aansluiten. Op 1 april 2012 zijn nieuwe interpretaties toegevoegd aan de al bestaande Interpretatiedocumenten bij BRL SIKB 2000 en AS SIKB 2000. Deze maken het werken volgens de in NEN 5744:2011 beschreven werkwijze mogelijk. Gebleken is dat veel partijen meer tijd nodig hebben om hiermee aan de slag te gaan. Daarom wordt het werken volgens de nieuwe NEN niet per 1 april maar per 1 oktober 2012 voor de meeste situaties verplicht. De begeleidingscommissie werkt intussen verder aan een nieuwe versie van protocol 2002, waarbij ook het gedachtegoed uit deze interpretaties wordt meegenomen. Voor meer informatie: www.sikb.nl

(Update: april 2012)

Achtergrondinformatie over NEN 5744
Voor achtergrondinformatie over NEN 5744 verwijzen wij u naar deze download.

(Update: maart 2011)

Moet je volgens de nieuwe NEN 5744:2011 altijd de troebelheid meten?
Ja, NEN 5744:2011 schrijft voor dat je altijd de troebelheid moet meten, dus ook als je - net als voorheen – ervoor kiest om minimaal 3x de natte peilbuisinhoud te verwijderen. Bij de aanwezigheid van drijf- en zaklagen mag worden afgezien van het meten van de troebelheid om schade aan de apparatuur te vermijden. Volg in dat geval de stappen a) t.m. d). uit paragraaf 5.5 van NEN 5744. De stappen e) t.m. g) zijn dan optioneel. Vermeld dit expliciet in het verslag.

(Update: maart 2012)

Slechtlopende peilbuizen in vette klei
In vette klei heb je veel last van slechtlopende peilbuizen. Daar is het zelfs moeilijk om 5x de inhoud van het filterdeel af te pompen. Dan blijft alleen nog een constante EGV en O2 over. In het geval dat het filterdeel belucht is, adviseert de nieuwe NEN 5744 om een nieuwe peilbuis te plaatsen, maar wat als dat ook niet werkt? NEN 5744:2011 beschrijft duidelijk wanneer een peilbuis slechtlopend genoemd mag worden. Indien de peilbuis dat is, mag de waterdaling in NEN 5744:2011 ook groter zijn dan 0,5 meter en mag de peilbuis feitelijk zelfs tot op de bodem leeggepompt worden; zij het alles met een debiet van 100 ml/min. Een hoger debiet dan 100 ml/min had bij de vroegere norm bij een slechtlopende peilbuis ook geen zin. U hebt dus dezelfde (on)mogelijkheden. Blijft de waterstand bij 100 ml/min boven het filter dan kunt u het monster “niet-belucht” nemen en de peilbuis “slechtlopend niet-belucht” noemen. Zakt het water tot in het filter, dan is het monster belucht genomen en noteert u “slechtlopend belucht”. Wat de nieuwe norm wel duidelijk onderscheidt van de vorige is het volgende: a) Indien een slechtlopende peilbuis die zogenaamd niet-belucht bemonsterd kan worden toch troebel water geeft, dan hebt u een slechte kwaliteit monster dat zomaar veel te hoge concentraties van organische vervuiling kan geven. b) Indien een slechtlopende peilbuis ook belucht is bemonsterd, dan kunnen zeer hoge verliezen van vluchtige stoffen en (co)precipiteerbare metalen tot veel te lage analyseresultaten leiden. c) Is dat water dan ook nog eens troebel, en dat zal vaak het geval zijn, dan wordt het wel een heel moeilijk herleidbare mix van foutenbronnen. U mag dan toch opschrijven dat u het onderzoek volgens NEN 5744:2011 uitgevoerd hebt. Zijn er onder conditie a) geen overschrijders gerapporteerd, dan is er geen aanleiding tot verder onderzoek. Bij opties b) en c) wel. Een betere peilbuis of nog trager voorpompen kunnen dan in een aanvullend onderzoekje of herbemonstering de oplossing bieden.

(Update: juli 2012)

Wat is de planning t.a.v. het verwerken van NEN 5744:2011 in protocol 2002?
SIKB is de beheerder van protocol 2002. Zij zijn bezig om dit protocol te herzien en in lijn te brengen met NEN 5744:2011. In de tussenliggende periode zal een interpretatiedocument gelden om tegenstrijdigheden tussen het oude protocol 2002 en de nieuwe NEN 5744:2011 op te heffen. Voor meer info hierover, zie www.sikb.nl.

(Update: maart 2012)

Overzicht van belangrijkste wijzigingen in NEN 5744:2011 t.o.v. protocol 2002 (2007)
In bijgevoegd overzicht leest u op hoofdlijnen de verschillen tussen NEN 5744:2011 en het oude protocol 2002 (editie 2007). Uitzonderingen (bijvoorbeeld voor diepe peilbuizen) zijn hierin niet vermeld. Dit overzicht is puur bedoeld om snel inzicht te geven in de verschillen en claimt dus niet volledig te zijn. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

(Update: juli 2012)

Heeft u behoefte aan een nadere toelichting bij NEN 5744:2011?
Bijlage C van NEN 5744:2011 geeft uitgebreide aanvullende informatie over de volgende onderwerpen: 1. Er mag nu nog slechts heel traag worden gepompt. Gaat het voorpompen nu niet veel te lang duren? 2. Wat is de betekenis van de in de norm genoemde troebelheid van 10 NTU? 3. Verschillen tussen troebelheid van water in de peilbuis en in de grond eromheen. 4. Schoonpompen van een peilbuis direct na plaatsing of bij regeneratie/onderhoud. 5. Diepe peilbuizen. 6. Wat te doen met bezinksel onder in peilbuizen? 7. Kan men nog wel een kogelkleppompje gebruiken? 8. Indien meting van de waterdaling moeilijk of onmogelijk is. 9. Is filtratie op 0,45 μ bij zware metalen nog wel nodig? Hoe om te gaan met kwik? 10. Bij welke stoffen is de kleinste/grootste storing door troebelheid te verwachten? 11. Andere manieren om de mobiele fractie vast te stellen dan middels een grondwaterbemonstering. 12. Wat te doen met oude onderzoeksgegevens? 13. Is de wachttijd van zeven dagen te verkorten? 14. Waar is de meest relevante achtergrondinformatie te vinden?

(Update: maart 2012)

Diepe peilbuizen: Voorschrift maximale afstand tussen slang en bovenzijde filter? Zou de slang dan ook op bijv. 3 m -mv kunnen worden gehangen?
Dat zou inderdaad kunnen. Zolang u geen lucht aanzuigt, is er weinig op tegen. Hiermee bespaart u wel slangmateriaal, maar bent u langer bezig dan wanneer u de slang op 47 meter diepte (= halverwege het filter) brengt. De slang is met verzwaringsgewichten rond de slang redelijk snel zo diep te plaatsen.

(Update: juli 2012)

Diepe peilbuizen: in 5.5.c staat dat je bij diepe peilbuizen debiet mag verhogen (mits de verlaging van het waterniveau in de peilbuis beperkt blijft tot max 10 cm). Geldt dit ook als je in 5.5.d. kiest voor de optie einde voorpompen als de EGV stabiel is en 5x de inhoud van het filterdeel van de peilbuis is weggepompt? Als dat zo is, dan is volgens NEN 5744:2011 de inspanning voor het voorpompen van diepe peilbuizen veel kleiner geworden.
Dat is juist, mits aanzuigopening van de slang halverwege het filter zit.

(Update: juli 2012)

Wanneer een peilbuis geplaatst is en schoongepompt is, geldt er een wachttijd van 7 dagen voor deze bemonsterd mag worden. Hoe lang na deze 7 dagen mag er nog bemonsterd worden, zonder dat deze nog eens schoongepompt moet worden?
Bij plaatsen van een peilbuis moet er worden schoongepompt (NEN 5766) en bij bemonstering moet er worden voorgepompt (NEN 5744). Dit betekent dat bij een Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) in totaal twee maal moet worden gepompt. De 7 dagen wachttijd heeft te maken met het opnieuw instellen van het evenwicht tussen bodem en grondwater dat verstoord is door het plaatsen van de peilbuis. NEN 5744 schrijft geen maximale periode voor tussen schoonpompen en voorpompen tbv bemonstering. Bij peilbuizen die periodiek voor monitoringsdoeleinden worden bemonsterd, volstaat goed voorpompen voordat de bemonstering wordt gestart (je hoef dus niet eerst weer schoon te pompen en vervolgens weer 7 dagen te wachten). NEN 5744 schrijft voor dat er moet worden voorgepompt totdat de EC constant is, wat inhoud dat aangetoond is dat de het water in de peilbuis voldoende is ververst om over te kunnen gaan op bemonstering.

NEN spant zich in voor een zo zorgvuldig mogelijk antwoord op vragen. Desondanks is het mogelijk dat in deze vragen en antwoorden onjuistheden en onvolledigheden vermeld staan. NEN aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of in enig opzicht verband houdt met het gebruik van deze informatie.

Terug



Gerelateerd nieuws

Eerder door u bekeken

Meer informatie?

Neem contact op met de afdeling Milieu & Maatschappij

(015) 2 690 303

mm@nen.nl