Brandveiligheidsaspecten houten bouwwerken

21-01-2020 Naar verwachting zal het aantal houten bouwwerken toenemen, want bouwen met hout is duurzaam. Tijdens de groei van bomen nemen deze CO2 op, die niet meer vrijkomt, tenzij het hout wordt verbrand. Dit in tegenstelling tot beton en staal. Tijdens de productie daarvan komt juist erg veel CO2 vrij. Respectievelijk zo’n 8% en 5% van de totale wereldwijde CO2-uitstoot. Maar hoe zit het met de brandveiligheid van houten bouwwerken?

Danny Ruytenbeek (Senior Adviseur en Consultant Fire Safety bij SGS Floriaan BV) wijdde er een presentatie aan tijdens het Nationaal Congres Brandpreventie (november 2019). Hij besprak de diverse brandveiligheidsaspecten die van belang zijn voor bouwen met hout. Het betreft constructieve eisen, WBDBO, brandklasse en brandwerendheid.

Brandwerendheid draagconstructies

Draagconstructies moeten volgens het Bouwbesluit voldoen aan een bepaalde brandwerendheid in minuten:

  • 30 minuten: Eengezinswoningen lage slaapgebouwen (op basis van reductie)
  • 60 minuten: Lage slaapgebouwen
  • 90 minuten: Utiliteitsgebouwen, lage slaapgebouwen
  • 120 minuten: Hoge slaapgebouwen

De brandwerendheid is afhankelijk van de inbrandsnelheid. Om hieraan te rekenen kan gebruik gemaakt worden van de oude ingetrokken Nederlandse NEN 6073 ‘Rekenkundige bepaling van de brandwerendheid van bouwdelen – Houtconstructies’ en de Europese
NEN-EN 1995-1-2 (Eurocode 5: Ontwerp en berekening van houtconstructies), die in grote lijnen vergelijkbaar zijn. De inbrandsnelheid ligt ongeveer tussen de 0,6 en 1 mm per minuut en is afhankelijk van:

  • Dichtheid (hoe dichter, hoe langzamer),
  • Verhouding tussen hoogte en breedte (hoe compacter, hoe langzamer),
  • Ingesloten hart (niet aanwezig, langzamer inbranden),

Bijvoorbeeld, bij een brandwerendheid van 60 minuten en een inbrandsnelheid van 1 mm per minuut, kun je berekenen hoe dik de houten constructie moet zijn.

Cross Laminated Timber

Het gebruik van Cross Laminated Timber (CLT) is in opkomst, maar hiervoor zijn nog geen specifieke rekenregels opgesteld. CLT wordt vaak verlijmd met MUF- of PUR-lijm. Uit voorlopige onderzoeken blijkt er een verschil in brandgedrag te zijn tussen beide lijmsoorten. Wanneer het verlijmd is met PUR, zal de inbrandsnelheid sneller zijn dan 0,6 tot 1 mm per minuut. Dit wordt veroorzaakt doordat PUR delamineert, waardoor de koollaag loslaat. Bij verlijming met MUF zal de inbrandsnelheid gelijk blijven aan ander hout, omdat dit niet delamineert. De koollaag beschermt dan als het ware het hout.

Brandwerende beplating

Door een brand zal de doorsnede van een houten constructie verkleinen, waardoor de mogelijke belasting gereduceerd kan zijn. Ook de brandwerendheid is na een brand lager en wellicht niet meer voldoende om een volgende brand te kunnen weerstaan. Door gebruik van brandwerende beplating kan de houten constructie beschermd worden. In tegenstelling tot wat soms gedacht wordt is coating slechts bruikbaar voor het verbeteren van de brandklasse.

De brandklasse van een gevel is gerelateerd aan hoe snel deze vlam vat en hoe snel brand zich voort kan planten. Hieraan is de Europese norm NEN-EN 13501-1 ‘Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen - Deel 1: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van het brandgedrag’ verbonden. Vaak is brandklasse B vereist, op basis van de brandoverslagnorm (NEN 6068). De meeste houtsoorten voldoen aan brandklasse D. Door te impregneren is brandklasse B te behalen.

Kijkend naar bestaande bouw en de daarbij gebruikte brandvoortplantingsklasse (NEN 6065)
moeten panden bij verbouw voldoen aan het ‘Rechtens Verkregen Niveau’. Bij verbouw en renovatie (NOM panden) komt het regelmatig voor dat de spouw tussen de oude en nieuwe gevel ter plaatse van de bouwmuur leeg blijft, waardoor via die spouw branddoorslag op kan treden.

Belangrijke aspecten rondom de brandklasse van gevels zijn:

  • Buitenlaag (hout/vezelcementplaat/zink/et cetera). Van welk soort materiaal is de buitenlaag gemaakt? Haalt de buitenlaag zelf brandklasse B? In geval van hout moet dit geïmpregneerd worden voor brandklasse B, maar zink is bijvoorbeeld al onbrandbaar. Niet-uitlogend impregneren geeft minder onderhoud.
  • Beschermt de buitenlaag de achterconstructie? Wanneer de buitenlaag voldoende beschermt, zijn er geen aanvullende eisen voor de achterconstructie.
  • Naden in buitenblad? Naden in de buitenlaag hebben verschillende effecten. Zo kan brand bij een verticale naad makkelijker uitbreiden.
  • Schoorsteeneffect bij geventileerde spouw? Wanneer de spouw open is en niet onderbroken kan er thermische trek ontstaan, waardoor een brand snel uitbreid en doorslag kan ontstaan.
  • Heeft de folie een hoge of lage bijdrage? Dit is gerelateerd aan de buitenlaag. Als deze voldoende beschermt zijn er geen eisen voor de folie.
  • Is de isolatie beschermd (EPS/PUR/PIR allemaal brandbaar) of onbrandbaar (wol)? Brandbare isolatie, zoals EPS, PUR en PIR hebben bescherming nodig. Dit geldt niet voor een onbrandbare isolatie (bijvoorbeeld minerale wol).

Bron: BWTinfo i.s.m. Danny Ruytenbeek

Eerder door u bekeken

Informatie Bouw

Wij helpen u graag verder!


NEN Klantenservice
Voor vragen over het bestellen van bouwnormen en/of online oplossingen.

015 2690 391

klantenservice@nen.nl


NEN Trainingen
Voor vragen over praktijkgerichte bouwtrainingen (op maat).

015 2690 188

training@nen.nl


NEN Bouw & Installatie
Voor inhoudelijke vragen over bouwnormen of deelname aan normcommissies.

bi@nen.nl


NEN Materialen & Bouwproducten Voor inhoudelijke vragen over bouwnormen of deelname aan normcommissies.

mb@nen.nl