Toekomst voor biobrandstoffen onzeker

13-02-2015 De Europese Commissie is steeds minder overtuigd van het duurzame karakter van eerste generatie biobrandstoffen, zo bleek op een recente conferentie in Berlijn over 'Fuels of the Future'. Tot 2020 is er een gegarandeerde markt, maar daarna stelt de Commissie geen bindende doelen meer. Kort daarvoor publiceerde de Koninklijke Nederlandse Academie voor de Wetenschappen (KNAW) een onderzoek met als conclusie dat het twijfelachtig is of het klimaat gebaat is bij biobrandstof of bij het meestoken van hout in kolencentrales. Dat gezien vanuit de vermindering van de CO2 uitstoot over de gehele keten. Is er dus nog wel toekomst voor biobrandstoffen en de bijbehorende normen?

Tijdens de conferentie in Berlijn werd door een vertegenwoordiger van de Europese Commissie (EC) een presentatie gegeven die duidelijk maakte dat de toekomst voor biobrandstoffen (onder andere afkomstig van de koolzaadplant of suikerbiet) er somber uitziet. Hoewel de transportsector in 2030 volgens de EC de uitstoot van broeikasgassen met 30% moet terugdringen, lijkt dit niet in het voordeel van biobrandstoffen. Men benadrukte dat er geen ‘silver bullet’-oplossing bestaat. Er is toekomst voor biobrandstoffen, maar de sector zal zich richting duurzame, geavanceerde ‘biofuels’ moeten bewegen. Deze veroorzaken geen competitie met voedselgewassen of vraagtekens over het nut van de voorkoming van broeikasgasemissies, zoals bij de eerste generatie biobrandstoffen.

Ook in het ‘2030 Energy & Climate Framework’, dat afgelopen oktober werd aangenomen, ontbreken eerste generatie biobrandstoffen. De focus van nieuw te ontwikkelen beleid dient zich ook volgens het Framework te richten op alternatieve duurzamere brandstoffen (‘advanced biofuels’), waarvan de ontwikkeling nu nog achterloopt. Er is echter nog geen termijn gesteld om beleid voor na 2020 te formuleren. Dit betekent dat zelfs de toekomst van 'advanced' biobrandstoffen ongewis is. Desondanks, of juist daarom, ontwikkelt NEN Energie met de markt een rapport dat vooruitblikt op welke kwaliteitsnormen op middellange en langere termijn nodig zijn.

NEN Energie: kwaliteitsnormen

Als leidend CEN secretariaat voor kwaliteits- en duurzaamheidsnormen voor biobrandstoffen en bio-based producten heeft het Europese beleid impact op NEN. In onze normen maken we duidelijk onderscheid in die twee soorten normen. De productkwaliteit (die veiligheid, gebruiksgemak voor de consument en het voldoen aan Europese emissie-eisen moet garanderen), is niet afhankelijk gesteld van het uitgangsproduct. Voor biodiesel of biobenzine wordt in kwaliteitsnormen geen onderscheid gemaakt tussen eerste generatie of advanced biobrandstof. Zo wordt op het moment de laatste hand gelegd aan een speciale diesel die zowel op basis van steenkool en aardgas maar ook van plantaardige olie of groen gas gemaakt kan worden. Toch trachten we een eventueel teruglopende biobrandstofmarkt te compenseren door ook alternatieven als LNG of biosmeermiddelen op te pakken.

NEN Energie: duurzaamheidsnormen

Waar wel wordt gekeken naar de broeikasgasemissies is bij de duurzaamheidscriteria. Het Europese werk voor biobrandstoffen in CEN/TC 383 is grotendeels stilgevallen door het eerder geschetste gebrek aan beleidslijnen vanuit de EC. Daarentegen is de discussie over duurzaamheid en erkenning van bio-based producten in CEN/C 411 echter volop aan de gang. NEN Energie deelt haar ervaring in beide discussies doordat ze beide secretariaten heeft maar ook door onderzoeksprojecten te leiden die gegevens moeten aanleveren om normen te maken. Verder hebben we de weg ingezet om onze certificaten voor duurzame biomassa uit te breiden naar toepassing in bijvoorbeeld de chemische sector. Zodat ook erkend duurzame bio-based kunststof colaflessen gemaakt kunnen worden.

Overgangsperiode

Het is duidelijk dat eerste generatie biobrandstoffen slechts een stap richting 'advanced biofuels' zijn. De vraag is hoe lang die transitie gaat duren. De EC heeft al voorgesteld om voor 2020 al een beperking opleggen aan het gebruik van eerste generatie biobrandstoffen door een maximum grens van 5% in te voeren. De overige 5% mogen dan alleen nog ‘advanced biofuels’ zijn. De Europese Raad wil echter de grens bij 7% leggen, terwijl het Europese Parlement (EP) bij een eerste lezing van dat voorstel vorig jaar voor 6% grens stemde. Wat het zal worden zal op 24 februari moeten blijken, wanneer het EP hierover zal stemmen. In april van dit jaar, is de verwachting dat de EC, het EP en de Europese Raad overeenstemming zullen bereiken over de grens.

Nationaal opererende overheden

Het feit dat de EC na 2020 geen toekomst ziet in biobrandstoffen betekent niet meteen het einde van de sector. Wat er zal gebeuren is dat de lidstaten niet meer naar Brussel zullen kijken voor hun biobrandstofbeleid. Lidstaten lijken nu al meer hun eigen gang te gaan. Onlangs kwam Frankrijk met de beslissing om het aandeel ‘land based’ biobrandstof van 7% te verhogen naar 8%. In Duitsland is er sinds 1 januari nieuwe wetgeving die de uitstoot van broeikasgassen vanaf 2020 met 6% moet reduceren en die dus wel een markt voor biobrandstoffen zou kunnen garanderen. Ook in Nederland is de discussie door de KNAW aardig opgerakeld. Dit terwijl er in 2014 nog vanuit de SER een Brandstofvisie voor Nederland is ontwikkeld met een duidelijke rol voor biobrandstoffen. NEN Energie overlegt met de overheid over verdere invulling van het beleid.

Biobrandstoffen tot dusver

De basis voor biobrandstoffen werd in 2009 gelegd in de Richtlijn voor Energie uit Hernieuwbare Bronnen (RED), dat de EU-doelen voor duurzame energie vastlegde. Biobrandstoffen zouden in 2020 een aandeel van 10% moeten bereiken in de brandstofmix van de Europese transportsector. Dit gold als een aanzienlijk aandeel binnen een hele grote markt. Ook moest in 2020 de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 2010 met 6% worden gereduceerd. Hiermee had de EC de twee belangrijkste instrumenten voor het promoten van biobrandstoffen gecreëerd.

Verschillende partijen, gevolgd door de EC zelf, zetten echter al gauw vraagtekens bij het duurzame karakter van biobrandstoffen. De vrees bestond dat het gebruik van voedingsgewassen en landbouwgrond voor de productie van eerste generatie biobrandstoffen de marktprijzen van voedingsgewassen negatief zou beïnvloeden. Meerdere studies bewezen enerzijds wel en anderzijds niet dat het EU-beleid voor biobrandstoffen invloed heeft op de prijs voor plantaardige producten en daarmee dus ook op de markt voor levensmiddelen. Vervolgens heeft de EC in een eerste voorstel voor een wetswijziging van de RED in 2012, al een belangrijk onderscheid willen maken tussen, enerzijds, ‘food based’ biobrandstoffen (eerste generatie) en, anderzijds ‘advanced biofuels’, die met behulp van algen of van afval en organisch restmateriaal worden geproduceerd. Dit voorstel heeft het voorlopig nog niet bij alle EU lidstaten gehaald.

Meer weten?

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Ortwin Costenoble, consultant NEN Energie via energy@nen.nl.

Eerder door u bekeken

Contact of informatie

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Ortwin Costenoble, consultant NEN Energie

energy@nen.nl

(015) 2 690 330

Normcommissies Energie

Energie