Arbowetgeving, wat verandert er per 1 juli 2017?

20-02-2018 Alle werknemers hebben recht op arbozorg. Deze arbozorg valt onder de Arbeidsomstandighedenwet, ook wel Arbowet genoemd. Één van de wetten die per 1 juli aanstaande gaat wijzigen.

In grote lijnen hebben de wijzigingen betrekking op de preventiemedewerker en de bedrijfsarts die een grotere en professionelere rol gaan innemen en wordt de handhaving aangescherpt.

De preventiemedewerker is een oplossingsgericht persoon die een band heeft met de werkvloer. Hij of zij adviseert de werkgever bij alle taken voor de uitvoering van de Arbowet. In dat kader heeft ieder bedrijf een preventiemedewerker nodig. De preventiemedewerker moet officieel benoemd worden door de werkgever met instemming van de ondernemingsraad (OR). Een zittende preventiemedewerker mag wel blijven zitten. Deze preventiemedewerker heeft een drietal taken.

1. Het opstellen van de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) per locatie, met daarin een plan van aanpak. In het plan van aanpak staan maatregelen om de risico’s te beperken.
2. Het adviseren van en samenwerken met de arbodienst, om zo mede uitvoering te kunnen geven aan arbeidsbeschermende maatregelen.
3. Het bespreken van de stand van zaken op het terrein van gezond en veilig werken in het bedrijf met de OR, de werkgever en de arbodienst of bedrijfsarts. Het is voldoende dit één keer per jaar te doen.

De bedrijfsarts heeft een adviserende rol, naar zowel de werkgever als de werknemer. De werkgever blijft echter verantwoordelijk voor de begeleiding van de werknemers en het nemen van preventieve maatregelen, al dan niet na advies van de bedrijfsarts. Nieuw is dat de werknemer de gelegenheid krijgt de bedrijfsarts te consulteren over individuele en persoonsgerichte gezondheidsvragen in relatie tot het werk. Dit kan dus al voordat klachten leiden tot verzuim. De werknemer kan hiervan gebruik maken zonder toestemming van de werkgever. Ook wordt de werkgever niet geïnformeerd over het consult, de aanleiding noch de uitkomsten van het consult op tot personen herleidbaar niveau. De werkgever moet ervoor zorgen dat deze faciliteit kenbaar is voor alle werknemers en er mogen geen onnodige drempels zijn wat betreft plaats en tijdstip van het consult.

Om de rol van de bedrijfsarts verder te professionaliseren zijn er een aantal verplichtingen in het leven geroepen:

1. De verplichting van de werkgever om de bedrijfsarts in de gelegenheid te stellen om iedere werkplek te bezoeken.
2. De verplichting van de bedrijfsarts om aan de werknemer, tenzij zwaarwegende argumenten zich hiertegen verzetten, de mogelijkheid van een second opinion te bieden. Ook de werkgever kan voor de werknemer om een second opinion bij een andere bedrijfsarts vragen, mits de werknemer hierin toestemt. De andere bedrijfsarts bevindt zich buiten de arbodienst of het bedrijf waar de eerste bedrijfsarts werkt en de kosten die daaraan zijn verbonden zijn in principe voor de werkgever.
3. De verplichting van de bedrijfsarts om een kenbare klachtenprocedure te hebben.
4. De verplichting van de bedrijfsarts om beroepsziekten te melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.

Ook heeft de bedrijfsarts (en de andere arbodeskundigen) nog het recht om met de OR overleg te voeren.

Om een goede basis te bieden voor al deze (nieuwe) verplichtingen en rechten zijn in de wet minimumeisen gesteld aan het contract tussen de arbodienstverleners en werkgevers. Dit wordt het basiscontract genoemd. In dit contract staan de taken waarbij de werkgever zich in ieder geval moet laten ondersteunen door een arbodienst of een arbodienstverlener. Het staat de werkgever vrij om eventueel een Basisplus contract op te stellen, waarin meer taken worden opgenomen. Deze contracten bevorderen tevens de handhavingsmogelijkheid van de Inspectie van het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW).

De sanctie voor de werkgever die geen contract heeft met een bedrijfsarts of arbodienst wordt aangescherpt. Namelijk directe boeteoplegging. Als wel een overeenkomst is gesloten maar niet alle verplichte elementen uit de wet zijn opgenomen dan kan een waarschuwing worden gegeven of een eis tot naleving worden gesteld. De hoogte van de boete wordt afgeleid uit de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving en zal naar verwachting ongeveer €450,- bedragen per overtreding.

Eerder door u bekeken

Publicaties Machinebouw

UIT 76:2016 nl

Europese regelgeving productveiligheid

UIT 78:2018 nl

Overzicht van Europese normen - Machinerichtlijn 2006/42/EC

UIT 58:2010 nl

Risicobeoordeling in kader van Machinerichtlijn

UIT 7:2016 nl

Machinerichtlijn praktisch toepassen

Contactgegevens

Voor meer informatie neem contact met ons op:

(015) 2 690 180

iv@nen.nl

Contact adviespunt Machinebouw

Voor uw vragen over onder andere CE-markering, productaansprakelijkheid, risicobeoordeling, de gebruiksaanwijzing, het technisch dossier, eisen voor niet-voltooide machines en de verklaring van overeenstemming bent u bij ons aan het juiste adres.



015 2 690 180

iv@nen.nl