Beginsel van geïntegreerde veiligheid in rechtspraak nader verklaard

26-04-2016 De Machinerichtlijn en het Warenwetbesluit Machines gaan uit van het beginsel van geïntegreerde veiligheid. Dit beginsel zal voor fabrikanten van machines niet onbekend zijn, veel discussie is wel over de vraag hoe ver het reikt.

• Wat zijn risico’s waarmee een fabrikant in redelijkheid rekening dient te houden?
• Wat is voorzienbaar gebruik en redelijkerwijs voorzienbaar verkeerd gebruik?
• Kun je een gebruiker van een machine wel tegen alle denkbare risico’s beschermen?



Deze vragen komen in de praktijk veel voor. Een recent arrest van het Europees Hof van Justitie laat zien dat het beginsel van geïntegreerde veiligheid niet te licht moet worden ingeschat. In de kwestie die daar aan de orde was, leidde een verkeerde inschatting tot een verbod tot verhandeling van de betreffende machines voor de Deense fabrikant.

Geïntegreerde veiligheid in een alinea
Wanneer we het begrip “geïntegreerde veiligheid” proberen samen te vatten, dan komt het neer op een beginsel dat uitgaat van het principe dat een machine, wanneer deze handelingen onder de vastgestelde omstandigheden worden verricht, zodanig ontworpen en gebouwd moet zijn dat zij bediend, afgesteld en onderhouden kan worden zonder dat personen aan een risico worden blootgesteld. Hierbij moet een fabrikant van een machine rekening houden met normaal gebruik en met redelijkerwijs voorzienbaar verkeerd gebruik. Bij het kiezen van oplossingen moet een fabrikant de volgende volgorde hanteren:
(1) risico’s uitsluiten of verminderen – ontwerp en bouw,
(2) beveiligingsmaatregelen treffen en daarna pas
(3) gebruikers informeren over restrisico’s via de handleiding.

Een en ander is uitgebreid terug te vinden in punt 1.1.2. van Bijlage I bij de Machinerichtlijn. Verder geeft de Machinerichtlijn de regel dat:

De verplichtingen die zijn vervat in de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen zijn alleen van toepassing indien het gevaar in kwestie bij de betrokken machine aanwezig is wanneer deze op de door de fabrikant of diens gemachtigde bedoelde wijze, dan wel in voorzienbare abnormale omstandigheden wordt gebruikt. De beginselen van geïntegreerde veiligheid van punt 1.1.2 en de voorschriften inzake markering en gebruiksaanwijzing van de punten 1.7.3 en 1.7.4 gelden in ieder geval.

Dit leidt vaak tot de vraag welk gebruik van een machine voorzienbaar is. Waarmee moet je als fabrikant rekening houden? Volledig foolproof maken van een machine, is dat mogelijk? De Deense toezichthouder gaf een beslissing ten aanzien van een Italiaanse fabrikant van een machine; de machine mocht niet meer in de handel worden gebracht. De casus wordt hieronder toegelicht en geeft inzicht in de vraag welk gebruik voorzienbaar is.

Interessante veiligheidsnormen

NEN-EN-ISO 12100:2010 nl

Veiligheid van machines - Algemene ontwerpbeginselen

NEN-EN-ISO 19353:2016 en

Machineveiligheid - Brandpreventie en -beveiliging

NEN-EN-ISO 14159:2004 en

Machineveiligheid - Hygiëne-eisen voor het ontwerpen van machines

Casus
Het gaat in de casus om een multifunctionele grondverzetmachine. Uit het arrest:

‘Het wezenlijke kenmerk van deze machine is dat zij afhankelijk van de 58 hulpstukken die hierop kunnen worden geplaatst, voor meerdere doeleinden en bij verschillende werkzaamheden kan worden gebruikt. Met behulp van deze hulpstukken, die ook door verzoekster [de fabrikant] worden ontworpen, kan deze machine bijvoorbeeld worden veranderd in een laadbak, een sneeuwschuiver, een landbouwvork, een hefbalk, een hydraulische hamer, een heftang, een grondbewerker of een grasmaaier, en derhalve worden gebruikt bij activiteiten als hovenierswerk, landbouw, bouw, wegenonderhoud of bosbouw. De betrokken machine is in meerdere lidstaten van de Europese Unie in de handel gebracht. Sinds 2009 zijn in Denemarken tien van deze machines verkocht, alwaar zij worden gebruikt voor de voederdistributie en de reiniging van hokken bij nertsfokkerijen.’

De Deense toezichthouder is van mening dat de machine niet aan de eisen van de Machinerichtlijn voldeed en dat gebruik van de machine een gevaar zou opleveren voor haar gebruikers. Dit gevaar bestond erin dat de machine niet uitgerust was met een beschermingsstructuur die de gebruiker beschermden tegen het risico van vallende voorwerpen of materialen.

‘Punt 3.4.4 van bijlage I bij richtlijn 2006/42 bepaalt met name dat „wanneer bij een machine met eigen aandrijving met daarop een bestuurder, bediener(s) of andere persoon of personen, een risico bestaat door vallende voorwerpen of materialen, moet in het ontwerp en de bouw van de machine met dit risico rekening zijn gehouden en moet de machine, indien de afmetingen dit toelaten, van een passende beschermingsstructuur zijn voorzien.’’

De fabrikant stelde zich onder meer op het standpunt dat hij de machine levert met 58 verschillende hulpstukken. Daar is geen hulpstuk bij dat de een risico voor vallende voorwerpen of materialen kan veroorzaken. Naar de mening van de fabrikant hoefde hij daarom daarmee geen rekening te houden.

Risicobeoordeling machines

Het Gerecht van Eerste Aanleg overweegt:
Zoals door de Commissie terecht wordt gesteld, moet de strekking van deze specifieke eis worden uitgelegd in het licht van de algemene eisen uit richtlijn 2006/42, en meer bepaald punt 1 van de „Algemene beginselen” in het begin van bijlage I, alsook de „Beginselen van geïntegreerde veiligheid” uit punt 1.1.2 van die bijlage. Uit deze punten blijkt echter duidelijk dat de machines die bestemd zijn om in de Unie in de handel te worden gebracht, allereerst dusdanig moeten zijn ontworpen en gebouwd dat deze kunnen werken „zonder dat personen aan een risico worden blootgesteld, wanneer deze handelingen onder de vastgestelde omstandigheden worden verricht, tevens rekening houdend met redelijkerwijs voorzienbaar verkeerd gebruik” en meer algemeen dat „abnormaal gebruik, indien dat een risico zou inhouden wordt voorkomen”. Andere bepalingen van deze bijlage, waaronder punt 1.1.7, met de titel „Bedienerspost”, hebben dezelfde strekking. Tot slot moeten de hiertoe genomen maatregelen erop zijn gericht „elk risico uit te sluiten”. Om aan een dergelijke verplichting te voldoen heeft de fabrikant de mogelijkheid te kiezen voor „de meest geschikte oplossingen”, maar tevens de verplichting daarbij een bepaalde prioriteit te hanteren, namelijk primair om „de risico’s uit te sluiten of zoveel mogelijk te verminderen (veiligheid in het ontwerp en de bouw van de machine integreren), subsidiair om „de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen te treffen voor risico’s die niet kunnen worden uitgesloten” en als aanvulling „de gebruikers te informeren over de restrisico’s ten gevolge van een tekortkoming van de getroffen beveiligingsmaatregelen”.’

Ook al leverde de fabrikant geen hulpstukken die een risico voor vallende voorwerpen of materialen met zich zou kunnen meebrengen, zeer wel denkbaar was dat gebruikers deze hulpstukken op de machine zouden gebruiken. Dit gebruik was daarmee voorzienbaar. Hierbij hielp ook niet dat de fabrikant in de handleiding wel een passage had opgenomen over het gebruik van dergelijke hulpstukken. Dat is natuurlijk een goede aanwijzing dat de fabrikant het risico had voorzien, maar ervoor gekozen had er geen beveiliging voor aan te brengen.

De stelling van de fabrikant: ‘ik heb er voor gewaarschuwd in de handleiding’ werd dan ook verworpen:

De naleving van dit vereiste [de eis om een handleiding te verstrekken] doet echter niet af aan de eerste verplichting van machinefabrikanten om de veiligheid te integreren in het ontwerp en de bouw van machines, door de risico’s in verband met het beoogde gebruik of het redelijkerwijs voorzienbare gebruik ervan uit te sluiten of zoveel mogelijk te verminderen, zoals blijkt uit punt 1.7.4.2, onder l), van bijlage I van richtlijn 2006/42, en wordt opgemerkt door het Koninkrijk Denemarken. Met andere woorden: de richtlijn verplicht de machinefabrikanten niet alleen om hun klanten te waarschuwen voor de risico’s in verband met het redelijkerwijs voorzienbare gebruik van de machines die zij hun verkopen, zoals verzoekster beweert te hebben gedaan, maar tevens om al bij het ontwerp en de bouw van deze machines dergelijke risico’s uit te sluiten of zoveel mogelijk te verminderen, zoals de Commissie opmerkt.’

Ook de omgeving waarbinnen de machine zou kunnen worden gebruikt – grondverzet – bracht een risico voor vallende voorwerpen en materialen mee, reden waarom de fabrikant daarmee rekening had moeten houden.

De fabrikant voert nog aan dat de machine in Denemarken alleen wordt ingezet in nertsfokkerijen voor de reiniging van hokken, maar ook dat standpunt biedt geen soelaas. De mogelijkheid dat de machines in de toekomst op een andere plek en andere wijze worden ingezet bestaat.

Het Gerecht komt tot de conclusie dat de beslissing van de Europese Commissie om de maatregel die door de Deense toezichthouder is opgelegd, goed te keuren, gerechtvaardigd is.

Conclusie
De les die uit dit arrest moet worden getrokken is dat niet te snel gedacht moet worden dat een bepaald gebruik bij een machine niet past of niet hoort en dat de fabrikant er daarom geen rekening mee hoeft te houden. De Italiaanse fabrikant in de besproken casus heeft haar verplichting op deze wijze opgepakt en komt van een koude kermis thuis; hij krijgt een verbod de machines te verhandelen. Natuurlijk, na aanpassing van de machine is een verhandeling waarschijnlijk wel weer mogelijk, maar hij moet wel eerst een inspanning leveren. Ook een voorzienbaar gebruik in de handleiding bestempelen als ‘niet de bedoeling’ is geen oplossing. Als het gebruik te voorzien is, dan moet er in het ontwerp wat mee gedaan worden.

Eerder door u bekeken

Contact adviespunt Machinebouw

Voor uw vragen over onder andere CE-markering, productaansprakelijkheid, risicobeoordeling, de gebruiksaanwijzing, het technisch dossier, eisen voor niet-voltooide machines en de verklaring van overeenstemming bent u bij ons aan het juiste adres.



(015) 2 690 180

advies.machinebouw@nen.nl